Pianogeheimen met en door Marcel Baudet
Voorwoord – PianoVrienden
Marcel Baudet is een onmisbare kracht binnen de pianowereld. Als toegewijde docent inspireerde hij generaties jonge musici, waarbij zijn passie en visie een blijvende indruk achterlaten. Als oprichter van de Young Pianist Foundation (YPF) gaf hij getalenteerde pianisten een podium en tilde hij het niveau in Nederland naar grote hoogten. Nu deelt hij zijn diepgaande kennis en inzichten in het boek “ Pianogeheimen” , een meesterwerk vol wijsheid en inspiratie. Dit boek is niet alleen een gids voor pianisten, maar ook een weerspiegeling van Marcels levenslange toewijding aan de muziek. We zijn trots en dankbaar voor zijn onschatbare bijdrage!
Dankwoord – PianoVrienden
Wij willen Marcel Baudet hartelijk bedanken voor het prachtige interview. Op een open en transparante manier heeft hij zijn inzichten gedeeld, waardoor we een diepere blik krijgen in zijn muzikale leven en visie. Zijn woorden zijn niet alleen inspirerend, maar ook bijzonder leerzaam voor zowel jonge als gevorderde pianisten. De manier waarop hij zijn ervaringen en kennis overbrengt, weerspiegelt zijn toewijding aan muziekeducatie en talentontwikkeling. We zijn dankbaar voor zijn waardevolle bijdrage en hopen dat zijn inzichten velen zullen motiveren en begeleiden op hun muzikale pad. Marcel, dank je wel voor deze bijzondere en inspirerende bijdrage!
Maak kennis met de wereld volgens Marcel Baudet.
Gedurende twintig jaar doceerde je aan de Yehudi Menuhin School in Engeland. Hoe verschilt het lesgeven daar van je ervaringen in Nederland?
De Menuhin School is een boarding school, een onderwijsvorm die in Engeland heel normaal was (en nog steeds is). In Nederland vinden we dat maar niets, want een kind hoort in een gezin op te groeien. Daar ben ik het in principe mee eens, maar ik heb jarenlang gezocht naar een tussenvorm waarbij een kind door de week op school woont en in het weekend thuis is. Dat was de blauwdruk voor de school die ik heb geprobeerd op te richten.
Nog steeds denk ik dat zoiets in Nederland zou moeten komen: kleinschalig, gericht op echte toptalenten, ook internationaal (Europees) van opzet, maar met alle ruimte en faciliteiten om het naar onze psychologische maatstaven acceptabel te maken.
De kansen die een internaat biedt zijn natuurlijk immens. Je kunt het onderwijs inrichten volgens de beste inzichten, omdat je ongelofelijk veel extra tijd krijgt en buitengewoon geconcentreerd onderwijs kunt aanbieden. Daar komt bij dat kamermuziek een centrale rol kan spelen. Het enorme effect hiervan op de ontwikkeling van ieders individuele spel is niet te overschatten. Voormalige Menuhin-leerlingen herken je juist aan dat sterk ontwikkelde samenspel.
De leerlingen van Coosje Wijzenbeek met haar Fancy Fiddlers hadden dat ook. Het heeft alles met luisteren te maken – iets wat op de Menuhin School totaal centraal stond. Dit kwam rechtstreeks van Yehudi Menuhin en Nadia Boulanger. Je kunt hier in mijn boek veel meer over lezen.
Daarnaast biedt een internaat natuurlijk veel meer studietijd. In Engeland kregen de leerlingen wekelijks twee uur puur hoofdvakles, plus een extra uur van een assistent. Er stond dagelijks drie uur studietijd op het individuele lesrooster, onder schooltijd dus, en na school was er nog van alles mogelijk.
De meeste lessen waren individueel of in kleine groepen, er was een enorm toegespitste monitoring en de docenten waren doorgaans van topkwaliteit. Dat laatste wordt weleens vergeten, maar is een absolute basisvoorwaarde. Je kunt veel over opleidingen zeggen, maar uiteindelijk draait alles om de kwaliteit van de docent. En dat is niet alleen iets wat je bent, maar iets wat je moet blijven ontwikkelen.
Professionele, inspirerende en veeleisende confrontaties met collega’s en hun werk – noem het peer group reviews – zijn daarbij cruciaal. Vandaar dat ik denk dat het goed is als scholen met elkaar concurreren. En dan moet ook het examensysteem op de schop. Het is natuurlijk van de gekke dat wij onze eigen studenten bij examens beoordelen, maar dat is misschien weer een heel ander onderwerp.
Grappig detail: begin jaren zeventig ontketende ik als rebel een actie op het conservatorium, compleet met pamfletten, om dit punt aan te kaarten. Het was ter verdediging van een klasgenoot die door de commissie was afgewezen. Kansloos natuurlijk.
Op de Menuhin School hadden we helemaal geen examens, alleen tussentijdse assessments. De school functioneerde meer als een familie. Leerlingen werden vrijwel nooit weggestuurd. De selectieprocedure bij toelating was zorgvuldig en in muzikaal opzicht streng, maar wie eenmaal binnen was, hoorde erbij en kreeg de best mogelijke opleiding.
Wat is je filosofie ten aanzien van muziekeducatie, en hoe probeer je jonge musici te inspireren?
Laat ik met dat laatste beginnen. Is het in het algemeen niet vaak zo dat je de meeste kans hebt om iets voor of met een ander te betekenen door juist datgene zelf te laten zien, het een beetje voor te leven? Als je zelf als het ware gloeit van enthousiasme, van interesse en liefde voor de partituur en de wereld daarachter, moet iemand wel een houten klaas zijn om daar niet iets van op te pikken en over te nemen. En wat het eerste punt betreft: ik denk dat beleidsuitgangspunten in het onderwijs en de inspiratie die je bij je draagt op een bepaald punt samenkomen. Heel belangrijk is ’t om op alle niveaus eerlijk te zijn. Tegen jezelf, over jezelf, maar ook tegen en over de leerling. Daar kunnen twijfels bij horen, net zo goed als strengheid. Maar ook bewondering en kritiek. Het begint ermee dat je je vak heel goed moet beheersen. In je positie als leraar moet je ergens een oude man of vrouw zijn. Het lesgeven heeft, als het goed is, iets grootouderlijks. Wijsheid in combinatie met een enorme hoeveelheid kennis en ervaring is de beste mix om iemand de weg te kunnen wijzen. En soms is dat door de juiste vragen te stellen, soms natuurlijk door iemand een richting aan te geven en weer een andere keer door heel gedetailleerd en onverbiddelijk terecht te wijzen. Maar nooit uit een opwelling van ergernis of persoonlijke frustratie. Positief ingestoken kritiek is m.i. het beste en heeft doorgaans ook het meeste effect. Maar ja, sommige leerlingen willen nu juist een hardere lijn. Ik kon zeker wel streng zijn, maar nooit ‘hard’ of vijandig. Ik heb eens een Aziatische leerling gehad die mij serieus vroeg of ik eens een keertje echt boos wilde worden. Dat had ze nodig, zei ze. Toen begon ik natuurlijk keihard te lachen.
Kun je enkele memorabele momenten delen uit je tijd als docent die een blijvende indruk op je hebben gemaakt?
Ik heb vele briljante leerlingen gehad. Jongelui met een waanzinnig vermogen tot memoriseren, anderen die, net zoals de grootheden uit de geschiedenis, alles van blad konden lezen, of leerlingen met een werkelijk spectaculair technisch potentieel. En dan natuurlijk de geboren artiesten, de dichters, jonge muzikanten die je het liefst niet met je opmerkingen zou willen storen. Toch moet dat dan soms en wordt het daardoor ook beter. Soms ook niet. Wat sprookje en wat werkelijkheid is, moet een goede leraar weten te onderscheiden.
Foto © Foppe Schut
Op welke leeftijd begon je met pianospelen en wat inspireerde je om voor de piano te kiezen?
Het geheugen is soms een wat onbetrouwbare metgezel, zeker als het gaat om de vroegste periode. Maar laten we aannemen dat alles wat ik daarover heb opgeslagen ook precies zo was. Het meeste zal immers wel kloppen. Mijn oudste muziekherinneringen zijn me het dierbaarst. Een daarvan is een recital door Arthur Rubinstein tijdens het Festival in Menton, ergens in de jaren ’50. Die hele scène, niet alleen de muziek, staat me nog helder voor ogen. Het maakte een enorme indruk op me. Zoiets van: dat wil ik ook!
Muziek was bij ons thuis alom aanwezig. Mijn vader speelde vooral cello, maar ook goed piano, net als zijn vader trouwens. De cello werd dan ook mijn eerste instrument; ik denk dat ik vijf jaar was. Ik kreeg les van hem, wat natuurlijk geen succes was. Studeren deed ik, geloof ik, niet. Mijn grote liefde was improviseren en dingen op gehoor naspelen. Mijn ‘battle horse’ was het celloconcert van Dvořák – althans, de eerste maten... Ik reisde weg in mijn muzikale dromen, en dat gevoel herinner ik me nog steeds heel goed.
Ik vermoed dat de piano pas na onze verhuizing naar Groningen in mijn blikveld kwam. Daar ontdekte ik hoe geweldig je erop kon improviseren. Na enige tijd kreeg ik een leraar – iemand die eigenlijk geen idee had van lesgeven en mij ook volkomen verkeerd inschatte. Hij deed het zogezegd voor den brode en was feitelijk trompettist. Waarom ik bij hem terechtkwam, is mij een raadsel. Iedere week had ik een boek uit, en de verveling sloeg toe. De lessen werden stopgezet, en helaas kreeg ik niet meteen een andere leraar. Waarschijnlijk lag mijn eigen verzet daar ook aan ten grondslag. Als dít pianoles was, dan hoefde het voor mij niet. Muziek betekende voor mij iets totaal anders. Het wachten was op iemand die mij op de juiste manier bij de hand nam.
Kun je iets vertellen over je vroege muzikale opleiding en de invloed van je eerste docenten?
Ik zei er al iets over. Mijn muzikale vorming gebeurde thuis eigenlijk heel vanzelfsprekend en spelenderwijs. We hadden regelmatig strijkkwartetavonden, luisterden veel naar muziek op de radio en later, toen we een grammofoon hadden, draaiden we platen. Mijn oudere broer Rémy speelde van jongs af aan viool – en hij studeerde echt! Onze ouders waren ook actief in het Groningse muziekleven, zoals dat in muziekminnende families vaker het geval is. Ik leerde heel veel muziek kennen en genoot steeds meer van het fantaseren aan de piano.
Uit mijn vroegste jeugd herinner ik me hoe mijn oor, terwijl ik in bed lag te luisteren naar het tot laat in de avond repeterende kwartet beneden, altijd werd getrokken naar de baslijnen. Daardoor kreeg ik al vroeg een sterk gevoel voor harmonische ontwikkelingen. Zowel Rémy als ik hadden een absoluut gehoor, en vaak deden we op onze slaapkamer testjes: welke noot klinkt? (Je moest dan natuurlijk onmiddellijk reageren.) We hielden ook andere wedstrijdjes, zoals een paar noten horen en dan meteen moeten zeggen uit welk stuk het kwam. Heerlijke tijden! We hebben ons hele leven veel samen gespeeld, ook toen we allebei al ‘beroeps’ waren. Hij was in zekere zin altijd mijn grote voorbeeld, en ik trok me sterk aan hem op.
Je hebt piano, muziektheorie en directie gestudeerd aan het Conservatorium van Groningen, en tegelijkertijd geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hoe hebben deze studies elkaar beïnvloed?
Die opsomming klinkt natuurlijk indrukwekkend, maar laat ik het wat relativeren. Ik heb op het conservatorium inderdaad van veel schalen geproefd – gelukkig kon dat – maar ik heb die vakken niet jarenlang gevolgd. Mijn academische studie heb ik daarentegen wel keurig en op niveau afgemaakt.
Piano was uiteindelijk mijn hoofdvak, maar ik deed het maar 'zo zo', het meeste kwam me gewoon aanwaaien. Als ik niet in de beroemde Groningse jazzclub De Koffer, waar ik in die tijd geregeld speelde, was ‘ontdekt’ door een docent van het conservatorium, was mijn leven misschien een andere kant op gegaan. Geen idee.
Naar de universiteit ging ik vooral omdat mijn vader dat graag wilde. Hij was hoogleraar sociaaleconomische geschiedenis en dus ‘moest’ ik dat vak bij hem studeren. Je kunt dat ongezonde druk noemen, maar je kunt ook zeggen: zo ging dat in de Middeleeuwen – je ging bij je vader in de leer.
Toch was muziek altijd mijn leven. Ik speelde als student vrij veel, gaf al een beetje les en kreeg allerlei kansen om met een orkest of ensemble concerten te geven. Dat was het soort muziek maken dat ik van huis uit kende. Voor iemand die uiteindelijk zijn carrière als docent in het beroepsonderwijs had, was het een tamelijk onorthodoxe opleiding – als je dat woord al kunt gebruiken. Ik denk dat ik met recht kan zeggen dat ik vooral autodidact was. Bij het schrijven van Pianogeheimen ontdekte ik dat dat veel vaker voorkomt dan ik ooit had gedacht.
Yehudi Menuhin School in Engeland
In 1999 richtte je de Young Pianist Foundation op. Wat was je visie bij de oprichting van deze stichting?
De YPF was opgezet als instrument om mijn dromen voor het onderwijs aan jong talent in Nederland te kunnen realiseren. Zoals ik al vertelde wilde ik het liefst een soort Menuhin School oprichten, maar dat bleek onhaalbaar. Met de YPF kon ik echter een groot aantal pedagogische initiatieven ontplooien die ik anders in zo’n eigen school had willen realiseren. Denk aan een breed palet van gastlessen, voorspeelgelegenheden, promotieactiviteiten, buitenlandse tournees en door ze erbij te betrekken een bijdrage te leveren aan de opleiding van toekomstige docenten. Binnen de muren van een conservatorium was daarvoor veel te weinig ruimte, financieel, praktisch, maar ook laat ik zeggen ‘beleidsmatig’. De YPF was (en is) volkomen onafhankelijk en vrij om initiatieven te ontplooien die haar goed dunken. En het werkte. Met het netwerk dat ik de jaren daarvoor had opgebouwd, kon ik zoveel bijzondere mensen naar Nederland halen. En niet te vergeten, ik kreeg van bedrijven en begunstigers vrij veel financiële steun, wat natuurlijk ontzettend belangrijk was. Voor mij was dat laatste, de sponsoring, in het begin wel ‘pionieren’, maar ik werd gelukkig bijgestaan door het bestuur, vooral door voorzitter Sylvia Tóth. In dat bestuur zaten trouwens nog meer zwaargewichten, zoals Hans Wijers, Karel Vuursteen, Ad ’s-Gravesande en Leendert van Driel. Ieder van hen heeft de YPF geweldig geholpen. Ze hebben het vijftien jaar volgehouden, waarvoor ik hen nog altijd zeer dankbaar ben. Dat het pianoconcours werd opgezet was een logische volgende stap, bedoeld om talenten op te sporen en ze verder te helpen. Door een zorgvuldig concoursbeleid (jury, repertoire, prijzen) hoopte ik zo het niveau in Nederland omhoog te kunnen trekken. Ik zeg Jan Wijn na dat dat ook absoluut gelukt is.
Hoe zie je de evolutie van het YPF Nationale Pianoconcours naar de YPF European Piano Competition – Grand Prix Youri Egorov?
Het was mijn laatste daad als artistiek directeur, uiteraard in nauw overleg met mijn bestuur en zakelijk leider Inge van Verschuer en met mijn opvolger Thomas Beijer. Na twintig jaar was de YPF uit de puberteit en toe aan een upgrade. Door het concours te internationaliseren werd de lat in feite weer een stukje hoger gelegd. Dat was, zoals ik al aangaf, immers altijd het kernbeleid: de YPF moest niveauverhogend zijn. Alleen dan voegde de stichting werkelijk iets toe aan het pianolandschap in ons land.
Dat de YPF op een dag ook de artistieke erfenis van Youri Egorov in de schoot geworpen kreeg was natuurlijk een geschenk dat om een heel goed antwoord vroeg. We hebben ten eerste veel aan zijn artistieke nalatenschap gedaan, maar daarnaast heb ik de Grand Prix Youri Egorov ingesteld, een andere belangrijke upgrade die het concours internationale allure, glans en reputatie heeft opgeleverd.
Je was redactielid van het Piano Bulletin van de European Piano Teachers Association (EPTA) en schreef een groot aantal interviews en artikelen. Wat inspireerde je om te schrijven over pianospel en muziekeducatie?
Dat lijkt me eigenlijk uit het voorafgaande wel duidelijk… Zowel de wens om zelf door te dringen tot een diepere kennis van het pianospel, als het verlangen om te ontdekken en te leren, maar ook om die kennis op mijn beurt weer door te geven aan de volgende generaties. Je ziet het terug in de titel van mijn boek.
Kun je meer vertellen over je boek Pianogeheimen en wat lezers kunnen verwachten?
Ofschoon er in het boek duidelijke lijnen zitten, hoef je het niet als een geheel van A tot Z te lezen. Ieder hoofdstuk staat gewoon op zichzelf. Het is een leesboek, maar ook een leerboek, in de zin dat je er zowel voor het spelen en studeren als voor het luisteren naar muziek en het lesgeven veel uit kunt halen.
Ik heb mij ook bewust verschillende typen lezers voor ogen gehouden: jonge pianistjes of middelbare scholieren die zich afvragen of ze wel of niet naar het conservatorium zullen gaan, pianostudenten die er heel veel praktische ‘no-nonsense’ informatie in kunnen vinden, docenten die zichzelf willen blijven ontwikkelen en natuurlijk alle muziekliefhebbers die meer willen weten over de geheimen van de piano. Het is een reis door het rijk van het pianospel, langs diverse wegen en vanuit verschillende invalshoeken.
Je hebt piano- en filmmuziek gecomponeerd en ontving in 1995 de Buma/Stemra Award. Wat inspireerde je om te componeren en hoe verschilt dit proces van het zijn van een uitvoerend musicus?
Je moet eens weten hoe dat gegaan is! Ik kende (nog wel via de school van onze kinderen) een filmproducent, vooral bekend door documentaires en reclamefilms. Al tijden klooide ik in de avonduren met een Atari en een keyboard en probeerde ik met behulp van een synthesizer filmische stukken te maken.
Als ik het me goed herinner, had een of andere componist de producent voor deze film laten zitten.
Het ging om de presentatiefilm bij de opening van de ‘Apenrots’, dat indrukwekkende gebouw van de Gasunie in Groningen, getiteld Unisono. Toen kwam hij op het idee om mij eens te vragen. Ik ging er, zoals ik ben, meteen volop in en maakte in no time een lang en flamboyant orkestraal stuk. Een bekende collega van ons, Hens Vlam Verwaaijen, die het later bij de openbare vertoning had gehoord, dacht dat het van Schnittke was! Hoe dan ook mijn stuk werd toen aan de regisseur voorgelegd die het op zijn beurt spannende muziek vond. Dus we gingen verder. Ik helemaal in de wolken natuurlijk!
Tijdens het proces rond die film draaiden de rollen langzaamaan om en besloot de regisseur de hele film op mijn compositie in elkaar te zetten. Dat werkte kennelijk zó goed dat ik voor mijn compositie die grote prijs kreeg, mijn eerste film! Ik was perplex.
Daarna hebben we nog wat andere dingen gedaan, maar ik merkte dat ik met dit soort werk afdwaalde van mijn eigenlijke weg. Wat die was, kun je misschien het beste ontdekken als je Pianogeheimen leest. Voor mij draait alles om de vraag naar de essentie van schoonheid, in mijn geval vooral die in de muziek, omdat die van alle kunstvormen mij het meest na aan het hart ligt. En waarom schoonheid? Dat lees je terug in het motto van het boek: ‘Schoonheid is Waarheid’, zoals John Keats in 1820 dichtte. Die benadering is bij filmmuziek natuurlijk ver te zoeken, per definitie, zou ik haast zeggen. Filmmuziek is ‘make-believe’, terwijl ik op zoek was naar waarheid. Concreter kan ik het niet maken.
Welke rol hebben docenten zoals Johan van der Meer, Jan Kruijt en George van Renesse gespeeld in je muzikale ontwikkeling?
Johan van der Meer was mijn eerste serieuze leraar, een bijzondere man die ik in mijn latere leven helaas nog slechts één keer heb teruggezien. Het moet lastig zijn geweest om mij les te geven, omdat ik niet echt studeerde. Als hij mij een Czerny-etude opgaf, kwam ik de volgende week met een pianoconcert van Mozart aanzetten (want dat voelde als de muziek waar ik echt van moest leren), of ik liet hem iets zien dat ik zelf had gecomponeerd. Toch heb ik bij hem wel degelijk een bepaalde basis geleerd. Hij had begrip voor mij, was geduldig en bovendien een uitstekende musicus. Pas veel later begreep ik hoe vooraanstaand hij in de muziekwereld was.
Met Jan Kruijt was het een beetje hetzelfde verhaal als met Johan van der Meer: ik was eigenwijs en volgde vooral mijn eigen weg. Ik had totaal niet het idee bezig te zijn pianist te worden. Dat klinkt misschien vreemd, maar pianospelen op zich was voor mij bijzaak – het ging mij om de muziek. Ik wilde niet per se ‘de muziek in’, maar wél ‘in de muziek’, steeds verder naar binnen! Het was mijn wereld, en in die wereld wilde ik leven. Ik grasduinde dan ook in brede zin en hield me, in het verlengde van mijn eindeloze geïmproviseer, bezig met componeren en arrangeren. Er zat echter niet veel lijn in mijn opleiding.. Sterker nog het was nauwelijks een ‘opleiding’ te noemen en die arme Jan kreeg weinig vat op mij.
Op een dag werd hij ernstig ziek. Hij belde me op en zei: "Ik ga dood." Ik werkte toen al op de Erasmus. Zijn lessen op het conservatorium werden tijdelijk door Van Renesse overgenomen, maar ik was op dat moment al uit Groningen vertrokken. Later ben ik hem in zijn woonplaats gaan opzoeken om les te nemen. Dat was de eerste keer dat ik het gevoel had dat iemand mij als pianist echt begreep. We hadden meteen een goed contact, en ik merkte dat hij hield van mijn manier van spelen en met muziek omgaan. Voor mij was dat een erg belangrijk moment, omdat ik door mijn nogal flodderige voorgeschiedenis onderhuids veel onzekerheid had opgebouwd.
Hij had een onmiddellijk en diep contact met muziek, iets wat volkomen aansloot op zijn eigen gevoelswereld. Het contact met hem voelde voor mij als ‘thuiskomen’. Ik had het idee dat muziek voor hem hetzelfde betekende als voor mij – al was hij veel begaafder dan ik. De lessen van eerdere docenten heb ik vaak als een omweg of zelfs als een belemmering ervaren, en misschien was dat de reden waarom ik nooit echt in de pas wilde lopen. Terugkijkend op mijn eigen levenslange docentschap is dat toch wel, laten we zeggen, vrij opmerkelijk.
Hoe hebben meesters als Vlado Perlemuter, Louis Kentner en György Sebök je benadering van pianospel beïnvloed?
Perlemuter was eigenlijk de eerste internationale meesterdocent met wie ik nauw contact had. Vanaf dat moment besefte ik dat ik in zekere zin ‘de boot had gemist’ en besloot ik dat ik voortaan alleen nog maar in de leer wilde gaan bij mensen van zijn niveau. Tegelijkertijd was het ook wel duidelijk dat ik geen grote of zelfs behoorlijke carrière als concertpianist zou maken.
Had ik een redelijke carrière kunnen hebben? Ik denk van wel – tenminste aan de ene kant. Maar er waren ook factoren die bij mij onvoldoende waren ontwikkeld, zoals het vermogen om dag in dag uit hard te studeren en mijn later ontstane neiging tot podiumangst.
Van alle drie de meesters die je noemt heb ik veel geleerd, maar er waren er nog veel meer. Ik was enorm leergierig en daarin was ik juist wél erg gedisciplineerd. EPTA speelde voor mij een belangrijke rol, omdat het mij de kans gaf om mijn internationale netwerk uit te breiden. Die voortdurende stroom van informatie was cruciaal – niet alleen om te ontdekken wat ik moest of kon doen, maar ook om collega’s aan het werk te zien en soms te denken: "Nee, dát zou ik nou nooit zo doen."
Ik las veel – zowat alles wat er op het gebied van pianopedagogie, musicologie en muziektheorie toe deed. Op die manier kreeg ik langzaam maar zeker een steeds concretere voorstelling van al die (mooie maar vage, intuïtieve) muzikale dromen die aanvankelijk als een voortdurend van vorm veranderende sluier om mijn hoofd zwierden.
Je hebt zowel als solist als met kamermuziekensembles opgetreden. Wat zijn enkele hoogtepunten uit deze periodes?
‘Hoogtepunten’ zou ik die concerten willen noemen waar ik zelf muzikaal het meeste plezier aan heb beleefd. Misschien waren, objectief gezien, mijn optredens in de laatste jaren het best (ik denk aan een concert met Jean-Bernard Pommier in 2016). Ik speelde toen met amper enige stress, heel anders dan in mijn drukke middenperiode, zeg vanaf het moment dat ik in het beroepsonderwijs was aangesteld. Van studeren kwam toen steeds minder terecht, en de podiumangst werd daardoor erger. Die verdween pas weer in de tijd dat ik op internationale zomercursussen of festivals terechtkwam.
Natuurlijk was ik toen ook ouder en had ik het een en ander in de muziekwereld bereikt. Ik wist beter hoe ik me op een optreden moest voorbereiden, alleen al doordat ik intussen talloze leerlingen op concerten en concoursen had begeleid. Maar wellicht speelde ook mee dat ik me in het buitenland veiliger voelde.
Het meest onbevangen was ik in mijn beginjaren, tot een jaar of vijfendertig. Toen speelde ik eigenlijk gewoon zoals ik ademde. Dat mijn concertleven per saldo de minst succesvolle kant van mijn carrière zou zijn, is heel eenvoudig te verklaren. Dit is nu precies de negatieve kant van het autodidact zijn: het grote voordeel was dat ik ontzettend dicht bij mijn eigen muzikale hart was gebleven, maar het grote nadeel was dat ik geen echte professionele basis had gehad – ook mentaal niet – waardoor ik me daar altijd bewust van bleef.
Ik denk dat dat een van de redenen is waarom ik in mijn rol als docent zo’n intense belangstelling voor talentonderwijs heb gehad. Ik wilde de leraar zijn die ik zelf graag had willen hebben. Mijn ideaal was: iemand heel goed leren pianospelen, en daarbij toch zoveel mogelijk diens eigenheid intact laten – sterker nog, de ontwikkeling daarvan stimuleren.
Ga er maar aan staan, want dit is in het kort geformuleerd dé grote uitdaging in alle onderwijs. Tussen die twee havenhoofden manoeuvreren heeft iets van het werk van een loods.
Hoe heeft je interesse in jazz je klassieke pianospel beïnvloed, en kun je iets vertellen over je ervaringen met je eigen jazzkwintet?
Zeker! De essentie van het spelen van jazz is bevrijdend; improviseren is de ultieme ervaring van vrijheid. Ik voelde me alsof ik in een enorme speelgoedwinkel stond, met volledige carte blanche. Ik heb het een paar jaar gedaan, maar op een gegeven moment begon ik te merken dat het mijn toucher aantastte. Bovendien ontgroeide ik die wereld een beetje.
Voor mij was deze uitstap om allerlei redenen ontzettend belangrijk. In mijn kwintet zaten ook een paar fantastische musici die vaak mijn eigen muziek speelden of beter gezegd: daarop gebaseerd hun eigen muzikale ding deden. Zij genoten, net als ik, van de vrijheid die geïmproviseerde muziek nu eenmaal brengt. Het waren prachtige jaren. Maar uiteindelijk was ik toch te ‘klassiek’ en voelde ik dat mijn weg elders lag.
Wat motiveerde je om na je studie korte tijd aan de Erasmus Universiteit te werken, en hoe heeft deze ervaring je muzikale carrière beïnvloed?
Mijn werk aan de Erasmus Universiteit was simpelweg een uitvloeisel van mijn studie. Het voert hier te ver om dat allemaal uitgebreid uit te leggen, maar vanuit mijn vaders perspectief was deze positie natuurlijk een geweldige kans voor mij. Een proefschrift schrijven lag bovendien in het verschiet, maar dat kwam er uiteindelijk niet.
Het is jammer dat mijn vader zo vroeg is overleden. Toen mijn boek uitkwam moest ik vaak denken: "Goh, wat had hij dit leuk gevonden."
Mijn carrière heeft deze periode uiteraard beïnvloed. Ik denk dat het voor mij nodig was om mijn academische kant af te ronden. Ik had ervoor kunnen kiezen die carrière voort te zetten, maar koos na dat jaar heel bewust voor een leven in de muziek. Het hebben van die keuze is niet iedereen gegeven. Hoeveel violons d’Ingres hangen er wel niet aan de muur bij de lezers van deze site?
Per saldo was die academische episode heel positief voor mij. Maar natuurlijk kun je ook zeggen: "Had je die jaren maar meer gestudeerd, jongen..."
Je hebt lesgegeven aan zowel het Koninklijk Conservatorium in Den Haag als het Conservatorium van Amsterdam. Hoe verschillen deze instellingen in hun benadering van muziekeducatie?
Wat betreft het hoofdvak draait het er vaak vooral om welke hoofdvakdocenten er aanwezig zijn. In Nederland kennen we de vreemde situatie dat sommige docenten aan beide topscholen lesgeven – ik was daar trouwens zelf ook een voorbeeld van. Eigenlijk is dat ongewenst, omdat het afbreuk doet aan de gezonde competitie tussen beide opleidingen. Die competitie heb je juist nodig om aan de top te blijven. Dat er daarnaast ook samenwerkingsprojecten zijn, vind ik alleen maar goed.
Amsterdam is eigenlijk altijd de betere pianoschool geweest. Den Haag stond vooral bekend om andere kwaliteiten, zoals de compositieafdeling, de barokafdeling en later ook de slagwerkafdeling. Ik weet niet precies hoe het nu is, maar dit is grosso modo hoe het altijd was. De laatste jaren heeft Den Haag veel geïnvesteerd in improvisatie binnen het instrumentale onderwijs. Het klinkt misschien vreemd uit mijn mond, maar ik weet niet eens hoeveel dat voor pianisten helpt. Voor strijkers denk ik dat het enorm waardevol is. Daar is het meestal ‘praktische harmonie’ en als melodie-instrumentalist (of zanger) kun je daar eigenlijk nooit genoeg van binnenkrijgen. Voor pianisten ligt het iets anders. Voor hen zou het een extra dimensie moeten zijn.
Neem de kersverse winnaar (2025) van het YPF-concours, Paul Salard. Hij heeft zijn vrije en fantasierijke spel echt niet van een leraar improvisatie geleerd; dat is een natuurlijk talent. Soms ben ik bang dat op dat specifieke gebied te weinig wordt geleerd, wat dan zijn effect zou hebben op het spel. Althans bij pianisten heb ik, ook op de Menuhin School, niet veel opvallende resultaten gezien. Begrip en inzicht zeker wel, maar het daadwerkelijk in de praktijk brengen?
Het grote verschil tussen Den Haag en Amsterdam is dat het Koninklijk Conservatorium een speciale school voor jong talent heeft: een combinatie van een reguliere schoolopleiding en een professionele muziekopleiding. Je zou dan ook verwachten dat daar de toppers vandaan zouden komen. Mijn eigen carrière als leraar begon op die school en mijn speciale affectie voor die afdeling ben ik nooit verloren. Maar helaas moet je vaststellen dat het beoogde resultaat, in ieder geval wat piano betreft, niet wordt bereikt.
Hoe komt dat; vraag je je dan met een bloedend hart af? Deels door de docenten, maar deels door het beleid. Een tijd lang stond ik vrij dicht bij de directie, doordat ik me intensief inzette voor de organisatie van voorspeelgelegenheden, kamermuziekmasterclasses etc., om er een echte topopleiding van te maken. De problemen die ik daarbij tegenkwam zijn er nu nog steeds.
De kern van mijn idee was dat ik de school los van het KC wilde laten functioneren terwijl de directie (Frans de Ruiter) precies het omgekeerde wilde. Hij zag de school als een kweekvijver voor het conservatorium. In mijn ogen is dat dé grote weeffout in de hele constructie.
Een tweede fout waar ze – naar ik heb begrepen – nog steeds aan vasthouden is dat er weinig ruimte wordt gegeven aan externe leerlingen. Dit komt doordat de school zichzelf als geïntegreerde vooropleiding wil presenteren en overeind wil houden. Dat is echter een fundamentele misvatting en dat is al decennialang bekend.
De beste leerlingen zijn namelijk bijna zonder uitzondering ook de slimste leerlingen. Zij kiezen niet voor deze middelbare school, maar voor een volwaardig atheneum of gymnasium. Daardoor mis je als instituut die hele groep; zij gaan naar een privédocent of naar Amsterdam. Ik vind dat nog steeds een enorme gemiste kans.
In Amsterdam is de afgelopen tien à vijftien jaar veel geïnvesteerd in de opleiding voor jong talent. Ik denk dat er ook daar nog wel wat professioneler gewerkt kan worden, maar vergeleken met de situatie in de jaren tachtig – toen ik zelf met deze hele ‘beweging’ in Den Haag begon – is er over de hele breedte veel verbeterd.
Welke uitdagingen ben je tegengekomen in je carrière en hoe heb je deze overwonnen?
Vele natuurlijk, net als iedereen. Maar één ding is zeker, je gaat de strijd aan en werkt nog harder. Nog meer mijn best doen en open blijven staan voor kritiek en tegenslagen. Maar ook me af en toe realiseren wanneer ik het wel eens bij het rechte eind had, zelfs als de kritiek of twijfel van de buitenwereld toch bleef komen.
Net als bij pianostudie, je moet niet alleen je fouten erkennen, maar ook de dingen die goed zijn vasthouden, zelfs als ze per ongeluk goed gingen. Als dingen moeizaam verlopen moet je dat accepteren en er iets aan doen. Als het helemaal niet meer gaat moet je je aandacht verleggen. Geen Derde Pianoconcert van Rachmaninov blijven studeren als je handen daar in feite totaal ongeschikt voor zijn. Op mentaal vlak kun je veel leren van de sportwereld. Goed kunnen verliezen is essentieel om succesvol te worden.
De muziekwereld is als werkveld ook niet gemakkelijk. Enerzijds heb je je dromen die vaak maar voor een deel realiseerbaar zijn. Anderzijds bevind je je in een competitieve, soms vijandige omgeving, waarin je continu moet vechten voor je plekje en voor erkenning. In zekere zin is dat ook goed. Wie stilstaat, zakt onherroepelijk af.
Wat beschouw je als je grootste prestatie tot nu toe?
Ik denk dat het opzetten en uitbouwen van de YPF met alles wat de stichting inmiddels bereikt heeft, van de algehele niveauverhoging in Nederland tot het gerenommeerde internationale concours, het belangrijkste is wat ik heb kunnen doen.
Het YPF-bouwwerk vloeit voort uit mijn ervaringen als docent en is ook de consequentie van mijn artistieke en pedagogische overtuigingen. De Engelsen hebben daar een mooi woord voor: ethos. Je zou kunnen zeggen dat de YPF de neerslag is van mijn persoonlijke ethos en dat is iets waar ik dankbaar voor en stiekem trots op ben.
Hoe zie je de rol van klassieke muziek in de moderne samenleving en wat kunnen we doen om deze relevant te houden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik graag naar het interview met Wenneke Savenije in De Nieuwe Muze. Alles draait om educatie. Muziek op de kleuterschool, op de basisschool en middelbare school. Dáár zit de grootste tekortkoming in onze samenleving.
Verder is muziekonderwijs van enig niveau vaak duur. Daarom, zorg dat muziekonderwijs voor iedereen in de samenleving toegankelijk wordt. Werk aan de infrastructuur, zorg dat muziekkinderen elkaar kunnen ontmoeten en laat de muziekdocenten net als de onderwijzers vooral van hoge kwaliteit zijn, zowel muzikaal als pedagogisch. En motiveer de ouders door als onderwijsinstelling het goede voorbeeld te geven.
Hoe beïnvloeden andere kunstvormen of disciplines je benadering van muziek?
Het is vanzelfsprekend dat alles meer betekenis krijgt en verdieping ondergaat als je het in een bredere context leert zien. Dat geldt ook voor mensen, je kunt geen goed of rechtvaardig oordeel over iemand vellen als je niet weet uit welke wereld diegene komt en wat de bronnen van iemands gedrag of opvattingen zijn.
In de kunst staat een werk weliswaar op zichzelf, maar er is altijd een verband met de artistieke omgeving waarin het ontstaan is en een plaats heeft gekregen. Een componist was een product van zijn tijd en stond met zijn werk op de schouders van degenen die voor hem muziek schreven.
Muziek is daarbij ook nog eens een taal, die op haar beurt is ‘vertaald’ in tekens en symbolen, zo goed en kwaad als dat althans mogelijk was. Wat staat er en wat betekent hetgeen er staat? Je moet een brede ontwikkeling hebben om in de buurt te komen van betekenisvolle antwoorden en een navenante interpretatie.
Vergeet niet dat alles veelal een kwestie van proporties en dimensies is: hard-zacht, snel-langzaam… Alles wat met perspectief en polyfonie te maken heeft. Wij begrijpen muziek vanuit onze hedendaagse blik, maar hoe was dat in de 18e of 19e eeuw? En hoe verstaan wij die emoties met onze bagage in de 21e eeuw?
Uiteindelijk sta je er alleen voor, soms met lege handen en dan moet je je toevlucht zoeken tot de bibliotheken van onze cultuur, het brede palet van kunst en geschiedenis waarin de muziek thuishoort. Alleen zo kun je zo dicht mogelijk bij de ‘waarheid’ komen.
Misschien is het wel even deprimerend als hoopgevend om te constateren dat die zogenaamde ‘waarheid’ door de eeuwen heen altijd weer van gezicht is veranderd. Wat voor Busoni artistiek gezien ‘waar’ was – of neem Karajan, Celibidache of Böhm – is dat voor ons misschien helemaal niet meer. Die verschuivingen kennen we toch ook in ons eigen leven? Vroeger vond je die ene pianist geweldig, nu waardeer je een ander.
Daarom gaat het er vooral om te blijven streven, het voortdurend zoeken naar je eigen artistieke ethos, als het eeuwig blijven slijpen van een diamant. Al deze vraagstukken komen uitgebreid aan bod in Pianogeheimen.
Jazz Klassiek
Boek bestellen? Klik op het plaatje
Redactie e-mailadres:
info@pianovrienden.nl
Pianovrienden | 2024