"Tussen hemel en toetsen: het muzikale leven van Ralph van Raat"


Voorwoord – PianoVrienden


Met grote dank en bewondering spreken wij onze waardering uit aan Ralph van Raat, die — ondanks een drukke agenda en vanuit het verre Los Angeles — de tijd nam voor een uitgebreid en openhartig interview.

Zijn enorme toewijding aan de hedendaagse pianomuziek, zowel op het podium als in de lespraktijk, maakt hem tot een unieke en inspirerende figuur binnen de pianowereld.

Als veelgevraagd concertpianist, bevlogen docent en gepassioneerd mentor in masterclasses over de hele wereld, blijft Ralph zijn publiek en studenten verrassen, raken en uitdagen.

In dit uitgebreide interview vertelt hij over zijn muzikale reis, zijn liefde voor moderne componisten, zijn ervaringen als docent — en zijn onverwachte tweede passie: de luchtvaart.


Interview met Ralph van Raat

Ochtend in Los Angeles, maart 2025

Ralph, allereerst dank dat je de tijd neemt, daar in Los Angeles.



Wat trok je in eerste instantie aan in de piano en in de muziek?


Ralph van Raat:

Ik was een jaar of zeven. We hadden thuis een piano, mijn moeder speelde vaak en mijn vader was ook muzikaal — hij speelde gitaar. Er was dus altijd muziek in huis.

Hoewel ik me niet alles meer precies herinner, weet ik dat ik als kind vaak zat te improviseren en te "rommelen" op de piano. Uiteindelijk was het mijn moeder die zei: "Nu is het tijd voor echte lessen." Dus zo is het begonnen.


Had je toen al het idee dat je er je beroep van wilde maken?


Helemaal niet. Ik speelde met veel plezier en zat soms uren achter de piano, maar ik had er nooit over nagedacht om professioneel pianist te worden.

Tijdens leerlingenuitvoeringen hoorde ik weleens opmerkingen van mijn docent of uit het publiek: “Heb je weleens aan het conservatorium gedacht?” Mijn antwoord was steevast: nee, absoluut niet.

Ik wilde de luchtvaart in. Piloot worden, dat leek me wat. Het idee dat je met muziek je brood kon verdienen zat gewoon niet in mijn systeem.


En wat veranderde dat dan?


Dat gebeurde rond mijn twaalfde of dertiende. Ik wilde graag leren hoe muziek in elkaar zat — harmonieleer. Tijdens een vakantie in Frankrijk nam ik een theorieboek mee uit de bibliotheek, en in het laatste hoofdstuk ging het over de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg. Dat fascineerde me zó, dat ik thuis direct partituren van hem, Berg en Webern ging zoeken.

Toen ik die muziek zelf begon te spelen, gebeurde er iets onverwachts. Ik verwachtte kille, rationele klanken, maar het tegenovergestelde gebeurde: ik was diep ontroerd.

Ik herinner me nog goed dat ik de Sechs kleine Klavierstücke van Schönberg speelde. De klanken, de stiltes — het raakte aan existentiële vragen die ik als puber had. “Wie ben ik? Wat doe ik hier?” Het voelde alsof die muziek mij begreep. Dat was het moment waarop ik dacht: dit is meer dan noten. Dit moet ik verder onderzoeken.


Dus dat was het keerpunt?


Ja, vanaf dat moment wilde ik meer. Niet lang daarna speelde ik bij het Prinses Christina Concours en haalde ik de finale. Ik stond daar op een prachtig podium, en dacht: dit smaakt naar meer.

Vanaf mijn veertiende begon ik bij Ton Hartsuiker te studeren en toen ging alles in een stroomversnelling. Hij was directeur van het Conservatorium van Amsterdam en stimuleerde me enorm. Zo begon mijn echte muzikale pad.


Wie zijn je grootste muzikale invloeden geweest?


Mijn docenten speelden een grote rol. Willem Brons voor de klassieke muziek, en Ton Hartsuiker voor de eigentijdse. Al deden ze allebei eigenlijk een beetje van beide.

Daarnaast heb ik ontzettend veel geleerd van componisten met wie ik heb samengewerkt. Hoe zij naar muziek kijken, hoe ze denken, hoe ze met de partituur omgaan — dat is goud waard.


Hoe hebben je studie en je concertleven zich ontwikkeld, met name in relatie tot de Universiteit van Amsterdam?


Mijn studie en mijn concertpraktijk liepen eigenlijk hand in hand. Vanaf het begin had ik een duidelijke fascinatie voor 20e-eeuwse muziek — in de breedste zin van het woord. Die eeuw is zo veelzijdig, van Einaudi tot Boulez, van Gershwin tot Stockhausen.

Mijn doel was altijd: laat zien dat 20e-eeuwse muziek toegankelijk kan zijn, dat er voor iedereen wel iets moois in zit.

De studie hielp me enorm om die visie te verdiepen. Willem Brons leerde me om moderne muziek te benaderen zoals je een klassiek stuk zou interpreteren. En Ton Hartsuiker bracht me vooral enthousiasme bij, en de verbinding met andere kunsten, zoals schilderkunst.

Mijn scriptie ging over de ontwikkeling van de uitvoeringspraktijk van 20e-eeuwse muziek. Ik onderzocht hoe musici deze complexe werken steeds meer gingen benaderen alsof het klassieke stukken waren, met frasering, structuur en expressie. Dat was voor mij een belangrijk inzicht.


Je hebt ook gestudeerd bij Claude Helffer in Parijs. Hoe was die ervaring?


Ralph van Raat:

Heel bijzonder. Ik wilde heel graag bij hem studeren, juist omdat hij precies die analytische benadering had waar ik naar op zoek was.

Ik herinner me nog goed mijn allereerste les. Ik was naar Parijs gereisd met een stuk van Iannis Xenakis onder mijn arm — behoorlijk complexe muziek. Claude had een schoolbord in zijn pianokamer, en begon het stuk uit te tekenen alsof het een klassieke sonate was.

Hij zei: “Hier is de expositie, hier het tweede thema, daar een doorwerking.”

Ik vroeg hem: “Maar was Xenakis daar echt mee bezig?” En zijn antwoord was prachtig: “Dat weet ik niet. Maar voor mijn oren is het logisch, en ik wil het kunnen begrijpen vóór ik het aan mijn publiek laat horen.”

Dat typeerde hem helemaal. Voor hem ging het altijd om functionele analyse, om het achterhalen van de verhaallijn in een stuk — zelfs binnen de meest abstracte noten. Als uitvoerder moest je eerst begrijpen wat je vertelde, voordat je het kon overbrengen. En hij zei ook altijd: “Anders komt moderne muziek gewoon niet aan.” Een gouden les.


En hoe was het om met Ursula Oppens te werken?


Bij haar richtte ik me vooral op Amerikaanse muziek. Dat fascineerde me enorm, omdat die muziek vaak een combinatie is van toegankelijke en minder toegankelijke elementen.

In Europa was atonaliteit lang dé norm binnen de moderne muziek, en consonantie was soms haast ‘verdacht’. In Amerika was dat anders — daar bestond er veel meer vrijheid om traditie en vernieuwing te combineren.

Denk aan componisten als Charles Ives, John Adams, Aaron Copland of Frederic Rzewski. De Amerikaanse benadering had iets grootser, iets universelers. De muziek wil vaak letterlijk ruimtes vullen — qua klank, qua emotie, qua stijl.

Wat Ursula me echt leerde, was hoe anders die muziek geïnterpreteerd moet worden dan veel Europese stukken. Ze liet me de enorme rijkdom en zeggingskracht van die traditie zien, en dat heeft me blijvend beïnvloed.


Je hebt met veel orkesten en dirigenten gespeeld. Wat beschouw je als hoogtepunten uit je carrière?


Ralph van Raat:

Dat is een lastige vraag, want elk concert heeft om andere redenen impact. Soms is het de locatie — een zaal met veel geschiedenis of een bijzondere akoestiek. Carnegie Hall in New York was bijvoorbeeld zo’n hoogtepunt voor mij.

Maar soms zijn het juist kleinere concerten die me het meest raken. Omdat het publiek daar zo ongelooflijk aandachtig en warm is. Dat hoeft helemaal niet in een grote zaal te zijn.

Een van de meest dierbare herinneringen blijft toch mijn optreden in de Philharmonie Haarlem, bij de finale van het Prinses Christina Concours. Het was de eerste keer dat ik in een volle, grote zaal speelde, op een prachtig instrument. Ik was toen nog lang geen professionele musicus, maar dat moment gaf me zó’n gevoel van richting. Het was mede daardoor dat ik besloot echt voor de muziek te kiezen.

En Carnegie Hall was natuurlijk ook bijzonder — niet alleen vanwege de zaal, maar omdat mijn schoonfamilie, die Amerikaans is, daar bij kon zijn. Mijn ouders waren er ook. Dat maakte het heel persoonlijk en gedenkwaardig.


Hoe bereid je je voor op zo’n groot concert?


Eigenlijk op dezelfde manier als op elk ander concert: goed studeren en plannen. Ik maak geen onderscheid tussen concerten voor 200 of 2000 mensen. Je wilt altijd je beste spel geven.

Wat het lastig maakt, is de planning. Je moet constant vooruitkijken: wat speel ik over twee maanden, over zes maanden, volgende week? En dan slim indelen wat je wanneer studeert.

Discipline is cruciaal. Ik zie dat ook bij mijn studenten in Amsterdam — plannen is vaak hun grootste struikelblok.

Heb je een favoriete concertzaal?


Oei, dat is een moeilijke! In Nederland vind ik het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam erg mooi qua akoestiek, net als de zaal in Eindhoven en De Vereeniging in Nijmegen.

Maar wereldwijd zijn er zó veel prachtige zalen. In China heb ik in indrukwekkende ruimtes gespeeld, met geweldige instrumenten.

Wat een zaal écht speciaal maakt voor mij, is als er mensen in het publiek zitten die me dierbaar zijn. Dat maakt een optreden pas echt bijzonder.


Hoe ga je om met zenuwen voor een optreden?


Goede vraag. Voor mij draait het vooral om het contact met het instrument behouden tot het laatste moment.

Ik gebruik daarvoor iets bijzonders: een vouwpiano. Het is een klein, draagbaar apparaat met 88 toetsen dat ik overal mee naartoe kan nemen. Het voelt niet als een echte vleugel, maar het helpt me om letterlijk ‘in contact’ te blijven met de toetsen.

Zonder dat contact — bijvoorbeeld als je een uur moet wachten na het inspelen — word ik zenuwachtiger. Een violist kan zijn instrument vasthouden tot hij het podium opgaat, een pianist niet. De vouwpiano helpt mij enorm.

En verder: goed eten en goed slapen. Dat is eigenlijk de basis.


Heb je rituelen voor je het podium opgaat?


Niet veel, maar ik zorg er altijd voor dat ik fysiek warm ben. Dus vlak voor het optreden doe ik wat rekoefeningen, ademhalingsoefeningen — niets groots, maar gewoon om de spanning uit het lijf te halen.

En natuurlijk: zo lang mogelijk blijven spelen tot het concert begint.


Wat trekt je zo aan in hedendaagse klassieke muziek?


Ralph van Raat:

Voor mij is het de pure identificatie met het heden. Hedendaagse muziek voelt als een feest der herkenning — van gevoelens, klanken en situaties die we nú in het dagelijks leven meemaken.

Het zijn componisten die in onze tijd leven of recent hebben geleefd. Die herkenning raakt me, maar het is ook de verwondering die deze muziek zo bijzonder maakt.

Soms hoor ik akkoorden of ritmes en denk ik: wat ís dit? Nog nooit gehoord, maar zo indrukwekkend.

Toen ik voor het eerst muziek van Toru Takemitsu hoorde, was ik compleet van mijn stuk gebracht door de schoonheid van zijn orkestklank. Het was letterlijk “ongehoord” voor mij. Die verwondering hoop ik altijd te blijven houden.


Je werkt veel samen met levende componisten. Hoe verloopt zo’n samenwerking?


Dat verschilt per componist — en ook of ze dichtbij wonen of niet. Vaak is het veel heen-en-weer mailen, en krijg je gaandeweg pagina’s toegestuurd om alvast op te reageren.

Het mooiste is natuurlijk als je echt samen kunt werken in persoon. Ik ben veel op reis geweest om componisten op te zoeken — van Amerika tot Europa. Dat directe contact is goud waard.

Bijvoorbeeld met John Tavener: hij heeft na onze repetities zelfs 20 jaar oude stukken compleet herzien. En Arvo Pärt paste zijn partituur aan na onze samenwerking.

Wat ik van al die ervaringen heb geleerd, is dat de partituur zelden het laatste woord is. Zelfs componisten met een “strenge” reputatie blijken vaak flexibel. Louis Andriessen bijvoorbeeld, was in de jaren ’80 heel stellig over hoe zijn muziek gespeeld moest worden — maar decennia later vond hij het allemaal veel vrijer mogen klinken.

Een compositie is geen vaststaand monument, maar iets levends dat zich blijft ontwikkelen — net als de componist zelf.


Is er een specifiek stuk dat je het liefst speelt?


Dat wisselt elke maand. Op dit moment ben ik helemaal in de ban van Carmina. Maar ik heb wel een aantal favoriete componisten.

“Fridge and Gates” van John Adams vind ik een meesterwerk, net als de Concord Sonata van Charles Ives. Er zit zóveel in, het blijft elke keer boeiend. Maar het hangt ook af van waar ik op dat moment mee bezig ben. Als ik diep in een stuk zit, dan wordt dat automatisch mijn favoriet.

“ Zodra ik opstijg, laat ik letterlijk alle zorgen en stress van het muzikantenbestaan even achter op de grond.” 

Hoe combineer je het spelen van traditioneel klassiek repertoire met moderne composities?


Voor mij gaan die twee totaal hand in hand. Ik probeer juist de verbindingen tussen klassiek en modern te laten zien — hoe het een voortkomt uit het ander.

Ik speel ook Bach, Beethoven en Liszt, maar mijn hart ligt vooral bij de muziek van na 1880 — denk aan Schoenberg, Bartók, Ives, Mahler, Enescu, Bruckner. Die vroege 20e eeuw is voor mij een periode waarin alles samenkomt.

Wat ik belangrijk vind, is dat je 20e- en 21e-eeuwse muziek met dezelfde toewijding en aandacht speelt als klassiek repertoire: frasering, articulatie, klankkleur — het zijn universele elementen.

Ik zou liever een avond programmeren met bijvoorbeeld Mozart én een moderne componist, dan alleen Mozart. En dat is geen diskwalificatie — het is gewoon waar mijn nieuwsgierigheid ligt.


Zijn er componisten met wie je nog graag zou willen samenwerken?


Op dit moment heb ik niet specifiek iemand op mijn lijstje, maar ik heb wel spijt dat ik sommige componisten te laat heb ontdekt.

Messiaen, Takemitsu, Ton de Leeuw, Tristan Keuris… allemaal mensen met wie ik graag had willen werken, maar die helaas overleden zijn tegen de tijd dat ik met hun muziek aan de slag ging.

Dat gemis draag ik wel mee. Maar het stimuleert me ook om te blijven zoeken naar nieuwe samenwerkingen, zolang het kan.


Je hebt een indrukwekkende discografie opgebouwd. Op welke opname ben je het meest trots?


Ralph van Raat:

Dat vind ik eigenlijk een lastige vraag. Ik heb in al mijn opnames evenveel liefde, tijd en toewijding gestoken.

Maar als ik dan toch één opname zou moeten noemen die voor mij het meeste nostalgie oproept, dan is het mijn allereerste opname voor het label Naxos: de muziek van John Adams.

Dat was een belangrijke stap. Naxos is een internationaal label, dat in de tijd van fysieke cd’s wereldwijd werd verspreid. Die opname heeft echt veel bijgedragen aan mijn bekendheid — ik werd opeens overal gerecenseerd, in internationale kranten en muziektijdschriften.

En het stuk dat ik toen opnam, Fridge and Gates, raakte me enorm. Het was een periode van veel persoonlijke en muzikale ontdekking, net na mijn afstuderen, en dat hoor ik terug in die opname.


Hoe verschilt een studio-opname van een live-optreden voor jou?


Ze zijn totaal verschillend. In een studio probeer je je ideale versie van een stuk vast te leggen — hoe jij vindt dat het stuk “zou moeten” klinken.

Bij een liveconcert daarentegen ben je veel meer afhankelijk van de zaal, het publiek, het instrument, de akoestiek… en die factoren beïnvloeden je spel. De energie van het moment speelt een grote rol.

Een live-uitvoering kan daardoor soms onvoorspelbaarder zijn — je laat je meeslepen, en dat kan geweldige momenten opleveren. Maar als je het terugluistert, hoor je soms dingen waarvan je denkt: “Hmm, dat was wel erg snel,” of “Dat contrast was wel heftig.”

Een studio-opname is klinischer, je moet de inspiratie echt uit jezelf halen. Maar het geeft je ook de kans om een zo zuiver mogelijke versie neer te zetten, die het stuk structureel het best representeert.


Heb je een voorkeur voor bepaalde opnameprocessen?


Ik werk eigenlijk altijd op dezelfde manier. Eerst speel ik het stuk één of twee keer helemaal door. Dan neem ik passages opnieuw op die ik beter wil hebben. En aan het einde nog een keer het hele stuk, als ik me helemaal vrij voel — dan ontstaan vaak de mooiste dingen.

Ik neem het liefst op in een akoestisch mooie zaal. In een droge studio waarbij de akoestiek wordt toegevoegd achteraf, mis ik het ‘spelen’ met de ruimte. De timing en de klankkleur zijn dan moeilijker in balans te brengen. Akoestiek moet je kunnen voelen tijdens het spelen.


Wat maakt voor jou een goede interpretatie van een muziekstuk?


Voor mij begint het bij respect voor de intentie van de componist. Vooral in 19e-eeuwse muziek zie je soms dat uitvoerders het stuk vooral gebruiken als vehikel voor hun eigen ego — met veel dramatiek, expressie, maar soms ver verwijderd van wat de componist bedoelde.

Bij 20e- en 21e-eeuwse muziek werk je vaak met de componist zelf, of je zit dichter bij de tijd van ontstaan. Dan kun je minder ‘vrij’ zijn — en dat is goed. Je moet dan als uitvoerder de luisteraar gidsen door een onbekend muzikaal landschap.

Een goede interpretatie is voor mij een uitvoering waarin de structuur, spanningsboog en het karakter van het stuk helder zijn, én waarin de uitvoerder zijn persoonlijkheid toont — maar altijd ten dienste van de muziek, niet erboven.


Hoe kies je welke stukken je opneemt?


Allereerst: fascinatie. Ik moet echt geraakt worden door het stuk. Daarna 

kijk ik of het al veel is opgenomen, en of ik iets wezenlijks toe te voegen heb.

Als ik een andere visie heb dan wat er al is, of als een werk nog nauwelijks is opgenomen — dan wil ik het vastleggen.

Een goed voorbeeld is Carmina Burana (de pianosolo-versie), die ik binnenkort opneem. Daar is eigenlijk maar één opname van, en ik hoor zelf veel dingen anders. Dus dan voelt het zinvol om een tweede versie aan de wereld toe te voegen.

Je bent docent hedendaagse pianomuziek. Wat is je belangrijkste boodschap aan je studenten?


Ralph van Raat:

Sta open voor alles. Dat is mijn kernboodschap. Laat vooroordelen los — want die zijn er veel, zeker rond 20e- en 21e-eeuwse pianomuziek. En vaak blijken die vooroordelen niet te kloppen.

Het gaat me niet zozeer om feitelijke kennis, al is dat natuurlijk belangrijk. Maar ik wil allereerst enthousiasme aanwakkeren. Ik wil studenten laten inzien hoe dichtbij die muziek staat — juist voor jonge mensen.

Daarnaast benadruk ik ook praktische zaken, zoals goed plannen, en het belang van een mooie, klassieke spelhouding. Dus: aandacht voor toon, structuur, frasering. Klassieke normen en waarden blijven de basis, ook in hedendaagse muziek.


Wat vind je de grootste uitdaging bij het lesgeven?


De balans vinden tussen mijn eigen ideeën over hoe een stuk moet klinken, en de visie van de student.

Ik wil geen mini-Ralphs opleiden, maar zelfstandige kunstenaars. Dat betekent: ruimte geven aan hun eigen stem, binnen een kader van respect voor de componist.

De mooiste momenten zijn die waarin je een student ziet groeien in zijn of haar eigenheid — zonder dat de essentie van het stuk verloren gaat.


Hoe inspireer je jonge pianisten om hedendaagse muziek te omarmen?


Ik begin vaak met mijn eigen verhaal: hoe ik als puber Schönberg en Webern ontdekte, en waarom dat me zo raakte. Het lijkt misschien een rare keuze op jonge leeftijd, maar het raakte me juist omdat die muziek zo persoonlijk is.

Het gaat niet over abstracte wiskunde, maar over gevoelens, over ons leven nu. Die componisten zijn mensen van vlees en bloed, net als wij. Ze hebben gezien wat wij zien, gevoeld wat wij voelen. Zelfs de muziek van Boulez, die vaak als “streng” wordt ervaren, komt voort uit passie.

Ik wil dat studenten inzien dat die muziek niet ver van hen afstaat, maar juist ontzettend dichtbij is.


Welke kwaliteiten zijn volgens jou essentieel voor een succesvolle pianist?


Er zijn veel kwaliteiten belangrijk — en talent alleen is geen garantie voor succes.

Karakter speelt een grote rol: kun je goed omgaan met mensen? Ben je flexibel? Kun je plannen?

Je komt als musicus in aanraking met allerlei mensen en situaties — van koningshuizen tot intieme podia. Daar moet je je in kunnen bewegen.

Maar misschien wel het belangrijkste is enthousiasme. Als muziek routine wordt, verlies je iets wezenlijks.

Authenticiteit is wat mensen raakt. Blijf dicht bij jezelf, wees prettig in de omgang, en denk mee. Dat maakt het vak niet alleen uitdagend, maar ook prachtig.


Hoe heeft je eigen leerproces je manier van lesgeven beïnvloed?


Ontzettend veel. Ik ben gevormd door docenten als Ton Hartsuiker, Willem Brons en Claude Helffer.

Zij leerden me dat zelfs in de moeilijkste partituren een vorm, een verhaal zit. En dat klassieke elementen als frasering, articulatie en klankkleur essentieel zijn — ook in moderne muziek.

Omdat melodie in hedendaagse muziek soms minder centraal staat, moet je die andere elementen nog sterker ontwikkelen. Je zoekt voortdurend naar schoonheid in ritmiek, harmonie of structuur.

En dat leerproces houdt nooit op. Ook ik ben daar nog elke dag mee bezig. Elk stuk vraagt weer iets anders. Maar dat maakt dit vak zo boeiend — voor mij én voor mijn studenten.


Vliegen speelt een belangrijke rol in je leven. Wat betekent het voor je?

Ralph van Raat:


Vliegen betekent voor mij ultieme ontspanning. Zodra ik opstijg, laat ik letterlijk alle zorgen en stress van het muzikantenbestaan even achter op de grond.

Elke keer dat ik de lucht in ga, voelt als een geluksmoment. Het is echt een onmisbaar deel van mijn bestaan geworden — iets waar ik energie van krijg en dat me ruimte geeft, zowel letterlijk als figuurlijk.


Hoe combineer je een druk bestaan als pianist met je passie voor de luchtvaart?


Tegenwoordig vlieg ik niet alleen als passagier, maar ook zelf als piloot. Tijdens de coronatijd, toen veel concerten wegvielen, heb ik mijn commerciële vliegbrevet gehaald.

Ik vlieg nu als ZZP’er bij het luchtvaartbedrijf Special Air Services, vanaf Lelystad en Teuge. Eén à twee dagen per maand vlieg ik commerciële vluchten: rondvluchten, milieu-inspecties, en bijvoorbeeld brandweervluchten waarbij we bossen scannen op brandgevaar.

Dat werk is heel anders dan muziek maken, maar ook weer vergelijkbaar: het vereist focus, planning en aanpassingsvermogen. En het mooie is, ik kan het perfect inpassen in mijn muzikale agenda.


Heeft je ervaring als piloot invloed op hoe je muziek benadert?


Zeker weten. De manier waarop je een vlucht voorbereidt — koers, wind, brandstofverbruik, luchtruimen — is vergelijkbaar met hoe je een muziekstuk instudeert.

En dan het moment van opstijgen: je geeft vol gas op de runway. Dat is exact hetzelfde als de eerste noten van een concert spelen — pure adrenaline.

Tijdens de vlucht moet je constant anticiperen op veranderingen, net zoals je tijdens een concert inspeelt op de zaal, het publiek en het instrument. Je maakt andere keuzes onderweg. En hopelijk land je ook mooi — net als bij een slotakkoord dat perfect valt.


Hoe ontspan je na een intensieve concertperiode?


Vliegen is mijn grootste uitlaatklep. Maar daarnaast probeer ik ook tijd vrij te maken voor wandelen, vrienden en natuurlijk mijn partner.

Dat gebeurt te weinig, maar is wel heel waardevol. Die quality time is belangrijk, want het leven als musicus is intens en vereist voortdurend plannen.


Wat zijn je ambities voor de toekomst?


Ik heb verrassend weinig concrete “stip-op-de-horizon”-doelen. Wat ik wél heb, zijn gedetailleerde schema’s voor de stukken die ik ga spelen en opnemen — tot zo’n twee jaar vooruit.

Ik werk met Naxos aan grote opnames en ga onder andere samenwerken met het Radio Philharmonisch Orkest. Maar verder wil ik mezelf niet vastpinnen op doelen als “over drie jaar moet ik in Carnegie Hall staan”. Ik wil niet in die druk leven.

Mijn motto is: werk zo hard mogelijk, doe het beste wat je kunt, en zie waar het schip strandt. Alles wat eruit komt, is mooi meegenomen.


Tot slot — hoe is het uiteindelijk muziek geworden en niet de luchtvaart?


Toen ik veertien was begon ik met zweefvliegen. Tegelijkertijd begon ik te studeren bij Ton Hartsuiker.

Tot mijn eigen schrik merkte ik dat ik op het vliegveld constant aan de piano dacht. Dat was voor mij het teken: de piano is mijn eerste liefde.

Ik wist: luchtvaart is fantastisch, maar de piano kan ik niet loslaten. Daarom koos ik voor de muziek, met de hoop dat ik ooit nog iets met vliegen zou kunnen doen. En die droom is uiteindelijk toch uitgekomen.

Het verhaal van Ralph van Raat is er een van nieuwsgierigheid, discipline, creativiteit en bovenal: liefde voor muziek.

Zijn visie op hedendaagse pianomuziek, zijn gedrevenheid om studenten te inspireren en zijn unieke combinatie van kunstenaar én piloot, maken hem tot een van de meest veelzijdige muzikale stemmen van deze tijd.

We danken Ralph voor zijn openhartigheid, zijn tijd en zijn inspirerende bijdrage aan dit interview.

En voor wie hem nog niet live heeft gehoord: grijp de kans. Want of hij nu de toetsen beroert of door het luchtruim zweeft — Ralph van Raat doet het altijd met volle overgave.

Op 6 april trakteert Ralph het publiek op een virtuoze soloversie van de Carmina Burana van Carl Orff. Reserveren


Redactie e-mailadres: 

info@pianovrienden.nl

Pianovrienden | 2024